1. Veulens ontwormen

Wormen bij veulens

Veulens?
Bescherm ze tegen spoelworm!

Besmetting met spoelwormen (Parascaris equorum) komt bij jonge paarden veelvuldig voor en vormt bij veulens en jaarlingen een belangrijk risico voor de gezondheid. Gelukkig bouwen paarden een natuurlijke afweer op tegen deze worm, waardoor hij na een leeftijd van 18 maanden bijna niet meer gezien wordt.

 

De spoelworm

Spoelwormen zijn de grootste wormen die bij veulens voorkomen. De vrouwtjes kunnen tot 40 cm lang worden. Hun eiproductie is enorm. Dagelijks leggen ze duizenden eieren, die jarenlang in de omgeving kunnen overleven. Wanneer een veulen eitjes inslikt, komen de larven in de dunne darm uit het ei. Ze kruipen door de darmwand en maken via de bloedvaten een trektocht door het lichaam. Via de lever, komen de larven na twee weken in de longen. Ze worden opgehoest en via de luchtpijp en keel belanden ze weer in de dunne darm. Daar groeien zij uit tot volwassen wormen.

Schadelijke effecten

Een veulen besmet met spoelworm kan gaan hoesten, kan neusuitvloeiing laten zien en blijft achter in de groei. Ernstige infecties kunnen tot koliek of tot verstopping van de darm leiden.
Typerend zijn een dikke buik, slechte groei en dor haar.

Wist u dat...

Spoelworm bij veulens beschouwd worden als de meest potentieel ziekteverwekkende parasiet?

De meeste parasitaire infecties op de weide worden opgelopen maar dat een spoelworm infectie ook opgelopen kan worden op stal?

Volwassen spoelwormen tot 2 jaar kunnen overleven in hun gastheer?

Extra aandacht voor jonge paarden

Paarden jonger dan 3 jaar behoeven extra aandacht en een aparte aanpak met betrekking tot het ontwormen. In tegenstelling tot volwassen paarden, wordt er bij veulens en jaarlingen aangeraden om géén selectieve behandeling op basis van mestonderzoek te doen.

(Opmerking: mestonderzoek kan op bepaalde momenten wel meerwaarde hebben bij veulens en jonge paarden. Er wordt daarbij niet gekeken óf, maar tegen welke wormsoort behandeld moet worden. Ook voor controle van de werkzaamheid van het gekozen wormmiddel in een groep paarden kan mestonderzoek waardevol zijn.)

MEER WETEN? Wij hebben alle spoelwormfeiten voor u op een rijtje gezet.

Download ze hier (PDF, 731kb)

Wist u dat...

Spoelworm-larven een trektocht door het paardenlichaam maken, onder andere door de lever en de longen?

Coprofagie (het normale fenomeen van mest eten bij jonge veulens) géén potentiële oorzaak is van worminfectie? (voor geen enkele wormsoort!)

Belang van wormen tijdens het eerste levensjaar

Jonge paarden zijn meer vatbaar voor besmetting met parasieten en voor het ontwikkelen van ziektesignalen. Daarnaast zijn bepaalde wormbesmettingen gekoppeld aan een bepaalde leeftijd. Maar met welke wormen kan het veulen besmet worden?
We zetten ze even op een rijtje.

Meer informatie over verschillende wormsoorten, verschillende wormmiddelen kan je vinden op
www.parasietenwijzer.nl
Hier vind je ook een beslisboom voor het ontwormen van je paard(en).

Veulenworm

De veulenworm (Strongyloides westeri) is de eerste worm waarmee het pasgeboren veulen zich zou kunnen besmetten. Echter, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, is deze worm slechts occasioneel ziekteverwekkend (diarree) en routinematige behandeling (eerste ontworming, vaak op 7-14 dagen) is daarom niet noodzakelijk.

Problemen in Nederland worden meestal gezien op stallen (of paddocks) waar (te) weinig uitgemest wordt. De initiële besmetting met veulenworm gebeurt via de merriemelk. In het veulen ontwikkelen zich volwassen wormen die eieren leggen, welke vervolgens met de mest uitgescheiden worden en de omgeving besmetten. Daarna herbesmet het veulen zich doordat de parasiet vanuit de omgeving door de intacte huid kruipt. Vanaf 4-5 maanden leeftijd ontwikkelt het veulen een natuurlijke immuniteit tegen veulenworm.

Pas bij (zeer) zware besmetting kunnen er klinische symptomen optreden. In geval van diarree bij uw veulen(s) rond 7-21 dagen leeftijd, kan middels mestonderzoek gekeken worden of er sprake is van een (zware) veulenwormbesmetting. Het veulen kan dan ontwormd worden met een gepast middel. Indien er in het verleden problemen zijn geweest met veulenworm op een bedrijf, kan er overwogen worden om de merrie in de laatste maand van de dracht te ontwormen, om zo te voorkomen dat het veulen via de melk besmet wordt.

Spoelwormen

Spoelwormen (Parascaris equorum) komen wereldwijd veel voor bij veulens en jaarlingen. Bij veulens tot 6 maanden oud is het de belangrijkste en meest ziekteverwekkende parasiet. Vanaf 6 maanden ontwikkelt het veulen een natuurlijke immuniteit tegen spoelwormen; deze afweer is meestal volledig op ongeveer 12-18 maanden leeftijd. Daarom zien we (bijna) geen spoelwormbesmettingen bij paarden vanaf 1.5 jaar oud.  Meer informatie?

Feiten van spoelworm op een rijtje (PDF, 731kb)

Bloedwormen

Vanaf een leeftijd van ongeveer 6 maanden worden naast de spoelwormen, ook de bloedwormen  (Cyathostominae of kleine Strongyliden) belangrijk. In tegenstelling tot volwassen paarden, is er bij veulens en jonge paarden geen goede verhouding tussen het aantal eieren en de zwaarte van de besmetting; wel kan er gekeken worden welke wormsoorten(eieren) aanwezig zijn. Uw dierenarts kan daarom eventueel door middel van mestonderzoek kijken tegen welke wormsoort(en) uw veulen(s) behandeld moet(en) worden.

Bij volwassen paarden zijn bloedwormen de belangrijkste parasieten. Interessant om te weten is dat paarden in mindere of meerdere mate een natuurlijke afweer ontwikkelen tegen bloedworm-besmetting. Deze afweer weerspiegelt zich bij volwassen paarden goed in het aantal eieren  dat in de mest zit; daarom kan er op basis van mestonderzoek gekeken worden of uw volwassen paard tegen bloedwormen moet worden behandeld.

Lintwormen

Lintwormen (Anaplocephala perfoliata) worden overgedragen via een tussengastheer: de mosmijt. Het paard besmet zichzelf doordat de geïnfecteerde mosmijt tijdens het grazen wordt opgegeten. Uiteindelijk zal het besmette paard ook weer eipakketjes (proglottiden) uitscheiden met de mest. Dit gebeurt echter niet continu; daarom is mestonderzoek op lintwormen enkel van waarde als de uitslag positief is. Wanneer er geen lintwormeieren gevonden worden in de mest, kan een lintwormbesmetting niet worden uitgesloten. Daarom worden paarden vaak in het voor- en/of najaar standaard ontwormd tegen lintwormen, indien zij op een weide lopen die verdacht kan zijn van mosmijten. Tegenwoordig is er ook een speekseltest beschikbaar om lintwormbesmetting op te sporen; deze is echter betrouwbaarder wanneer een groep paarden onderzocht wordt (in plaats van 1 enkel paard).

Aarsworm

Aarsworm (Oxyuris equi) besmettingen kunnen opgelopen worden op stal of op het weiland. De vrouwtjes leggen hun eieren in kleverige pakketjes rond de anus. Het naar buiten en terug naar binnen kruipen van de volwassen vrouwtjes veroorzaakt jeuk bij het paard, waardoor het typische staartschuren optreedt. Op die manier worden de eieren in de omgeving afgezet op allerlei oppervlakken, waardoor verspreiding en herbesmetting (door oplikken) mogelijk wordt. Het reinigen van de omgeving is dan ook een belangrijke maatregel naast het ontwormen, om (jeuk veroorzaakt door) aarswormen te bestrijden.

Horzeleitjes

Horzeleitjes (Habronema spp.) zijn goed te herkennen als stevig vastzittende gele stipjes op de vacht en manen van het paard. Zij worden opgelikt en overleven eerst in het mondslijmvlies; een paar weken later hechten de horzellarven zich vast in de maagwand. Tijdens de volgende lente laten ze los en komen met de mest naar buiten (deze dikke larven kan je gemakkelijk met het blote oog waarnemen), waar ze volwassen horzels worden na een paar keer verpoppen.

Doorgaans geven horzellarven weinig problemen, maar een zware besmetting kunnen gevaarlijk zijn. De reguliere ontworming in de herfst werkt goed, maar het is ook belangrijk om te voorkomen dat de eitjes opgelikt worden.  Dit kan doormiddel van wassen met lauw water met azijn, en er zijn speciale schuurblokjes en horzelmesjes op de markt om de eitjes te verwijderen.

Wist u dat...

Een geïnfecteerd paard verschillende duizenden eieren per gram mest kan uitscheiden? Dat dit  inhoudt dat één paard in één dag de omgeving kan besmetten met miljoenen eieren?

Spoelwormeieren jarenlang kunnen overleven in de omgeving? Dat daardoor de besmetting succesvol van de ene generatie veulens op de volgende generatie veulens kan worden overgedragen?

Niet alle wormmiddelen zijn effectief voor veulens!

Werken alle ontwormingsmiddelen bij veulens? De faculteit Diergeneeskunde in Utrecht heeft dit onderzocht1. En wat blijkt? Op bedrijven waar vaak ontwormd werd, bestond bij 63% van de veulens resistentie tegen wormmiddelen met ivermectine. Ivermectine werkt bij deze veulens dus niet goed (meer) als ontwormingsmiddel. Het onderzoek werd uitgevoerd op 43 Nederlandse bedrijven bij 332 veulens. 88 veulens hadden in hun mest eieren van spoelwormen zitten. Deze veulens werden behandeld met ivermectine. Hierdoor zou het aantal spoelwormeieren met 90% moeten dalen. Twee weken later werd de mest weer onderzocht. Bij 63% van de veulens had de behandeling onvoldoende resultaat. Om klachten en zieke veulens te voorkómen, kan beter met een middel zonder ivermectine ontwormd worden, bijvoorbeeld met pyrantel of fenbendazole.

Spoelwormresistentie

Uit het onderzoek in Utrecht blijkt dat spoelwormen niet meer gevoelig zijn voor ontwormingsmiddelen met ivermectine. Deze ongevoeligheid noemen we resistentie. Spoelwormen hebben dan een verdedigingsmechanisme ontwikkeld, waardoor ze niet meer vatbaar zijn voor de werking van deze stof. Onderzoek in Zweden heeft aangetoond dat spoelwormen ook resistent zijn tegen een stof die veel lijkt op ivermectine: moxidectine.2

1.     Van Doorn D.C.K., Lems, S., Weteling A., Ploeger H.W., and Eysker M. Utrecht University, Infectious Diseases and Immunology, The Netherlands. Resistance of Parascaris equorum against ivermectin due to frequent anthelmintic treatment of foals in the Netherlands

2.      Osterman Linde E., and Christensson D. National Veterinary Institute, Department of Parasitology (SWEPAR), Uppsala,Sweden. Ivermectinresistant Parascaris equorum in Sweden.

De levenscyclus van de spoelworm

  1. De omgeving van het veulen (stal of weiland) is besmet met wormeieren. Deze kunnen afkomstig zijn van het veulen zelf, stal- of weidemaatjes, of veulens van vorige jaargangen.
  2. In het ei ontwikkelt zich een larve tot infectieus (besmettelijk) stadium. De eieren hebben een dikke schaal en kunnen jarenlang in de omgeving overleven.
  3. Veulens besmetten zichzelf tijdens het grazen of op stal door opname van infectieuze eieren.
  4. De larven komen uit het ei en maken een trektocht door het paardenlichaam, onder andere via de lever en de longen. Vervolgens worden de larven opgehoest en ingeslikt. In de dunne darm worden zij volwassen en gaan eieren leggen.
  5. De eitjes worden via de mest uitgescheiden en komen in de omgeving terecht waar ze voor verdere besmetting zorgen. De cirkel is rond.

De tijd tussen de opname van het infectieuze ei en het opnieuw uitscheiden van eieren met de mest, noemen we de prepatente periode. Deze bedraagt bij de spoelworm 10-16 weken

De levenscyclus van de spoelworm (PDF, 276kb)

Ziektesignalen

Veulens en jonge paarden kunnen meer of minder ziek worden van een spoelwormbesmetting. De symptomen zijn onder andere afhankelijk van huisvesting, voeding, en besmettingsgraad.

Lichte besmettingen kunnen onopgemerkt blijven wanneer de huisvesting en voeding optimaal zijn.

Zware besmetting kan klachten geven zoals een ruwe vacht, minder goed groeien, hoesten, neusuitvloeiing, futloos zijn, minder eetlust hebben, diarree en koliek.

Bij zeer zware besmetting kan er zelfs koliek optreden, die een dodelijke afloop kan hebben.

Bekijk hier de preventie en bestrijdingstips!

Het doel van een ontworm strategie is om:

  • ... de besmetting zodanig te beperken dat dieren gezond blijven en geen ziektesignalen gaan vertonen.
  • ... de besmetting van de omgeving (en daardoor de kans op herbesmetting van het veulen) zo goed mogelijk te beperken, o.a. door de uitscheiding van wormeieren te voorkomen.
  • ... de effectiviteit van de beschikbare ontwormmiddelen te behouden en verdere ontwikkeling van resistentie (het ongevoelig worden van een wormsoort tegen een bepaald wormmiddel) te voorkomen.